Zijn kamer, de garage, de pitstraat. Ik las dat drie keer in het interview van Max Verstappen met De Telegraaf, en ik keek om me heen. Bij mij in Genk is de kamer zeventig procent cockpit. De garage is de cockpit. De pitstraat is de knop „resetten”. Dezelfde plattegrond, maar compacter.
Hij zegt dat de F1-wereld steeds drukker wordt: „Het is net een dierentuin.” Het is vaak niet meer mogelijk om even een praatje te maken met iemand, en zelfs in de hospitality-ruimtes van zijn team willen veel gasten iets van hem. Hij gunt hun goede bedoelingen. Hij wil gewoon kunnen rusten zonder voortdurend lastiggevallen te worden.
Mij vragen ze ook van alles. In de lobby, na een online race, vragen drie mensen me naar mijn setup voor Pouhon. Ik geef hem. Ze kloppen me. Ik verlies het respect van de lobby. Een drukteprobleem, op mijn schaal.
Ik heb vanmorgen mijn eigen rustzone opgemeten: tussen het zitje en het bed zit een meter twintig. Dat is mijn enige delta van de dag, en het is ook de afstand die niemand overbrugt, behalve mijn moeder met de was. Hij heeft een hele garage met mensen erin. De paddock is voor mij een niet-gemodelleerde variabele: ik ben er nooit geweest. Spa is een uur rijden, en op zondag is er de race.
Wat ik graag mag, is zijn conclusie. Hij weet dat het erbij hoort: hoe meer je presteert en hoe meer je hebt bereikt, hoe meer mensen van je willen. Hij ziet dat als een goed teken.
Een meter twintig tussen werk en rust. Aan post 14 is dat de lengte van de campingstoel.
Bij mij in de lobby: hoe meer ik presteer, hoe vaker ze naar mijn setup vragen. Dus dat is ook een goed teken. In theorie.
Het klopt, we hebben het nagekeken: RacingNews365.







